Levenslooppsychologie

11 Questions | Total Attempts: 159

SettingsSettingsSettings
Please wait...
Levenslooppsychologie

Questions and Answers
  • 1. 
    Bepaalde kinderen van ongeveer 1 jaar beginnen de omgeving te exploreren als ze zich samen bevinden. Als hun moeder de ruimte verlaat, zijn ze innerlijk onrustig maar tonen ze dat niet. Ze zoeken geen steun als hun moeder terugkomt. Over welk hechtingspatroon gaat het?
    • A. 

      Veilige hechting

    • B. 

      Angstig-ambivalente hechting

    • C. 

      Angstig-vermijdende hechting

    • D. 

      Gedesorganiseerde hechting

  • 2. 
    Op een bepaalde leeftijd zal het kind een speeltje wegduwen om een ander speeltje te kunnen pakken dat daar (gedeeltelijk zichtbaar) onder ligt. 
    • A. 

      Dit gebeurt tussen 4 & 8 maanden en wijst op objectpermanentie

    • B. 

      Dit gebeurt tussen 8 en 12 maanden en wijst op objectpermanentie

    • C. 

      Dit gebeurt tussen 12 en 18 maanden en wijst op objectpermanentie

    • D. 

      Dit gebeurt tussen 8 en 12 maanden en wijst op symbolisch denken

  • 3. 
    Een kind neemt herhaaldelijk een rammelaar op om na te gaan hoe het geluid verandert. Dit is typisch voor het stadium van ... (1) tussen ... en ...  (2) maanden
    • A. 

      (1) primaire circulaire reacties, (2) 4-8

    • B. 

      (1) primaire circulaire reacties, (2) 8-12

    • C. 

      (1) secundaire circulaire reacties, (2) 4-8

    • D. 

      (1) secundaire circulaire reacties, (2) 8-12

  • 4. 
    De theorie van Piaget is een voorbeeld van ...
    • A. 

      Het lijnmodel

    • B. 

      Het trapmodel

    • C. 

      Het gelaagde model

    • D. 

      Het golfmodel

  • 5. 
    De anale fase loopt van... tot ... en werd omschreven door...
    • A. 

      1-3 jaar, Freud

    • B. 

      1-3 jaar, Erickson

    • C. 

      3-6 jaar, Freud

    • D. 

      3-6 jaar, Erickson

  • 6. 
    Het super-ego staat voor...
    • A. 

      De driften

    • B. 

      Het rationele deel van de persoonlijkheid

    • C. 

      Het geweten

    • D. 

      De bemiddelaar tussen de eisen van de omgeving en de driften

  • 7. 
    Het typisch conflict in de periode van 1 tot 3 jaar draait volgens Erickson rond...
    • A. 

      Vertrouwen versus wantrouwen

    • B. 

      Autonomie versus wantrouwen

    • C. 

      Autonomie versus schaamte

    • D. 

      Initiatief versus schuldgevoel

  • 8. 
    In deze fase van de prenatale ontwikkeling ontwikkelen de belangrijkste organen. Duid de naam en de periode aan. 
    • A. 

      De germinale fase, de eerste 2 weken na de conceptie

    • B. 

      De embyonale fase, de eerste 2 weken na de geboorte

    • C. 

      De germinale fase, de periode tussen 2 en 8 weken na de conceptie

    • D. 

      De embryonale fase, de periode tussen 2 en 8 weken na de conceptie

  • 9. 
    Wat is kenmerkend voor kinderen in de concreet-operationele fase (nieuw t.o.v. vorige fase)?
    • A. 

      Metacognitie

    • B. 

      Conservatie

    • C. 

      Symboolgebruik

    • D. 

      Egocentrisme

  • 10. 
    Stel: de volgende redenering: alle A's zijn B; C is een A, dus C is een B.Dergelijke manier van denken wijst op... en komt voor in...
    • A. 

      Hypothetisch-deductief denken, concreet operationeel stadium

    • B. 

      Hypothetisch-deductief denken, formeel-operationeel stadium

    • C. 

      Propositioneel denken, concreet operationeel stadium

    • D. 

      Propositioneel denken, formeel-operationeel stadium

  • 11. 
    Er zijn volwassenen die in een relatie voortdurend zoeken naar geruststelling, een heel sterk verlangen hebben naar nabijheid maar er tegelijkertijd heel bang voor zijn en heel moeilijk loskomen van hun kindertijd. Ze hebben vaak scheidingsangst. Van welk relatiepatroon spreekt men dan?
    • A. 

      Autonoom relatiepatroon

    • B. 

      Gereserveerd relatiepatroon

    • C. 

      Gepreoccupeerd relatiepatroon

    • D. 

      Gedesoriƫnteerd relatiepatroon