Uveitis 2007

35 Questions | Total Attempts: 18

SettingsSettingsSettings
Please wait...
Uveitis 2007

AAO examen Uveitis jaar: 2007


Questions and Answers
  • 1. 
    Welk cytokinepatroon past het beste bij T-helper-1-cellen? Deze cellen produceren:
    • A. 

      IL-4 en IL-5

    • B. 

      Interferon gamma en TNF

    • C. 

      Vrijwel alle cytokinen

    • D. 

      Typisch IL-10

  • 2. 
    Welke mechanisme draagt niet bij aan het zogenaamde ‘ immuun-privilege’ van het oog?
    • A. 

      Afwezige lymfedrainage

    • B. 

      Bloed-retina-barriere

    • C. 

      Suppressor-T-cellen

    • D. 

      Verhoogde expressie van VEGF

  • 3. 
    De primaire lokalisatie van toxoplasmose in het oog is:
    • A. 

      De iris

    • B. 

      Het glasvocht

    • C. 

      De retina

    • D. 

      De choroidea

  • 4. 
    Bij welke vorm van uveitis komt een hypopyon niet voor?
    • A. 

      HLA-B27 geassocieerde uveitis

    • B. 

      Infectieuze uveitis

    • C. 

      Morbus Behcet

    • D. 

      Posner Schlossman-syndroom

  • 5. 
    Een patiënt heeft een chronische uveitis met hoofdzakelijk cellen in de voorste oogkamer, maar ook retrolentale cellen en maculaoedeem. Dan betreft dit een:
    • A. 

      Intermediaire uveitis

    • B. 

      Panuveitis

    • C. 

      Uveitis anterior

    • D. 

      Uveitis posterior

  • 6. 
    Bij een aantal uveitisbeelden kan een bijpassende HLA-type gevonden worden. HLA-typering zal echter waarschijnlijk niets opleveren bij een patiënt met:
    • A. 

      Retinale vasculitis en orale aften

    • B. 

      Uveitis anterior en lage rugpijn

    • C. 

      Uveitis posterior met cremekleurige vlekjes verspreid over de perifere fundus

    • D. 

      Vitritis en benauwdheid

  • 7. 
    Alle genoemde ziektes zijn geassocieerd met HLA-B27 behalve:
    • A. 

      Morbus Crohn

    • B. 

      Psoriatische artritis

    • C. 

      Reactieve artritis

    • D. 

      Rheumatoide artritis

  • 8. 
    Juveniele reumatoide artritis (JRA) wordt vaak gecompliceerd door uveitis. Deze patiënten populatie met JRA-geassocieerde uveitis wordt gekenmerkt door:
    • A. 

      Goede visusprognose

    • B. 

      Mannelijk geslacht

    • C. 

      Polyarthritis (>5 gewrichten)

    • D. 

      Risico op bandkeratopathie

  • 9. 
    De heterochromie van Fuchs is een bijzondere vorm van uveitis. Passend bij deze diagnose is de aanwezigheid van
    • A. 

      Cystoid maculaoedeem

    • B. 

      Periflebitis

    • C. 

      Syneachiae posteriores

    • D. 

      Vitritis

  • 10. 
    Bij het syndroom van Reiter komen oogafwijkingen voor. Het meest frequente is dat:
    • A. 

      Conjuctivitis

    • B. 

      Papillitis

    • C. 

      Subepitheliale keratitis

    • D. 

      Uveitis anterior

  • 11. 
    Oculaire sarcoidose wordt gekarakteriseerd door de volgende kenmerken, behalve:
    • A. 

      Effectiviteit van cyclosporinetherapie

    • B. 

      ‘mutton-fat’ precipitaten

    • C. 

      Periphlebitis retinae

    • D. 

      Secundair glaucoom

  • 12. 
    Welke ziekte is geassocieerd met vasculitis retinae?
    • A. 

      Birdshot retinochoroidopathie

    • B. 

      Multipele sclerose

    • C. 

      Sarcoidose

    • D. 

      Alle drie genoemde aandoeningen (A,B, en C)

  • 13. 
    Welke uveitis geeft geen granulomateuze reactie?
    • A. 

      Sarcoidose

    • B. 

      Syndroom van Vogt-Koyanagi-Harada

    • C. 

      Toxoplasmose

    • D. 

      Ziekte van Behcet

  • 14. 
    Syneachie posteriores ziet men niet bij
    • A. 

      Fuchse heterochromie

    • B. 

      Herpetische uveitis

    • C. 

      Postoperatieve uveitis

    • D. 

      Sarcoidose

  • 15. 
    Diffuus verdeelde kleine stervormige KP’s ziet men bij:
    • A. 

      Herpetische uveitis

    • B. 

      HLA B27 geassocieerde uveitis

    • C. 

      Sarcoidose

    • D. 

      Traumatische uveitis

  • 16. 
    Een patiënt heeft uveitis met hoofdzakelijk perifere retinale phlebitis en vitritis. Dan betreft dit een
    • A. 

      Intermediaire uveitis

    • B. 

      Panuveitis

    • C. 

      Uveitis anterior

    • D. 

      Uveitis posterior

  • 17. 
    Bij welke van de volgende ‘white dot syndromes’ worden geen cellen in het glasvocht gezien:
    • A. 

      Birdshot-chorioretinopathie

    • B. 

      MEWDS

    • C. 

      MCP

    • D. 

      ‘ocular histoplsmosis syndrome’ OHS

  • 18. 
    Welk irisknobbeltje kan gezien worden bij syphilis
    • A. 

      Berlin’s nodule

    • B. 

      Busacca’s nodule

    • C. 

      Gumma van de iris

    • D. 

      Koeppe’s nodule

  • 19. 
    Chronische ‘delayed onset’ postoperatieve endophthalmitis na cataractchirurgie kan door bacterien of schimmels worden veroorzaakt. Een van de meest waarschijnlijkste verwekkers van deze vorm van endophthalmitis is:
    • A. 

      Haemophilus influenza

    • B. 

      Propionibacterium acnes

    • C. 

      Serratia marcescens

    • D. 

      Staphylococcus aureus

  • 20. 
    De endophthalmitis Vitrectomy Study (EVS) heeft aangetoond dat:
    • A. 

      Het intraveneus toedienen van antibiotica niet zinvol is bij post-traumatische endophthalmitis

    • B. 

      Het intraveneus toedienen van antibiotica m.b.t. de visus niet zinvol is bij endophthalmitis ontstaan na cataractoperatie of secundaire lensimplantatie

    • C. 

      Het verrichten van een 3-poort vitrectomie direct bij de presentatie van endophthalmitis altijd beter is voor de visuele prognose dan het verrichten van een vitrieous tap/biopsie (beide in combinatie met het toedienen van intravitreale antibiotica)

    • D. 

      De systemische behandeling met steroiden een ongunstig effect heeft op de visusuitkomst

  • 21. 
    Een 30-jarige gezonde man (dus zonder immunosuppressie) heeft een eenzijdige acute visusdaling als gevolg van uveitis posterior met retinale arteriolitis, vitritis en multifocale geel-witte perifere retinitis. De perifere retinale laesies vloeien samen tot een confluerende 360 graden ‘creamy retinitis’. De achterpool blijft relatief gespaard. Van de genoemde aandoeningen passen de bevindingen het beste bij:
    • A. 

      Acute retinale necrose (ARN)

    • B. 

      Progressieve outer retinale necrosis (PORN)

    • C. 

      Retinitis door cytomegalovirus (CMV)

    • D. 

      Retinitis bij de ziekte van Behcet

  • 22. 
    Diffuse unilaterale subacute neuroretinits (DUSN) wordt ook wel ‘unilaterale wipe-out’ syndroom genoemd. Aangaande oorzaak en behandeling kan gesteld worden dat de aandoening veroorzaakt wordt door een:
    • A. 

      Virus; lasercoagulatie in de vroege fase kan progressie van de retinopathie voorkomen

    • B. 

      Virus; lasercoagulatie in de vroege fase kan progressie van de retinopathie niet voorkomen

    • C. 

      Worm; lasercoagulatie in de vroege fase kan progressie van de retinopathie voorkomen

    • D. 

      Worm; laser coagulatie in de vroege fase kan progressie van de retinopathie niet voorkomen

  • 23. 
    Een HIV positieve patiënt heeft actieve toxoplasmose-chorioretinitis. Het betreft hier waarschijnlijk:
    • A. 

      Reactivatie van congenitale toxoplasmose; cerebrale MRI niet geindiceerd

    • B. 

      Reactivatie van congenitale toxoplasmose; cerebrale MRI wel geindiceerd

    • C. 

      Recente toxoplasmose; cerebrale MRI niet geindiceerd

    • D. 

      Recente toxoplasmose; cerebrale MRI wel geindiceerd

  • 24. 
    Een 7 jarig patientje met oculaire toxoplasmose wordt behandeld met anti-parasitaire middelen, waaronder pyrimethamine. Bij deze therapie is toevoeging geindiceerd van:
    • A. 

      Folaat-antagonisten

    • B. 

      Folinezuur

    • C. 

      Foliumzuur

    • D. 

      Geen van deze middelen

  • 25. 
    Bij neurologische of neuro-ophthalmologische verschijnselen van de ziekte van Lyme is behandeling geindiceerd met
    • A. 

      Ceftriaxon intraveneus

    • B. 

      Doxycycline per os

    • C. 

      Methylpredonisolon intraveneus

    • D. 

      Penicilline intraveneus

  • 26. 
    Masquerade syndromen worden gedefinieerd als aandoeningen waarbij intraoculair cellen aanwezig zijn
    • A. 

      Als gevolg van immuun-gemedieerde uveitis; dit treedt op bij neoplastische aandoeningen

    • B. 

      Als gevolg van immuun-gemedieerde uveitis; dit treedt op bij neoplastische en niet-neoplastische aandoeningen

    • C. 

      Niet als gevolg van immuun-gemedieerde uveitis; dit treedt op bij neoplastische aandoeningen

    • D. 

      Niet als gevolg van immuun-gemedieerde uveitis; dit treedt op bij neoplastische en niet-neoplastische aandoeningen

  • 27. 
    Een patiënt presenteert zich op de polikliniek met een unilaterale multifocale chorioretinitis met cremekleurige infiltraten in de chorioidea en glasvochtverdichtingen. Hij heeft net een aantal weken geleden een niertransplantie ondergaan. De meest waarschijnlijke diagnose is:
    • A. 

      Endogene endophthalmitis door bacterien

    • B. 

      Endogene endophthalmitis door schimmels

    • C. 

      Intraoculaire lymfoom

    • D. 

      Toxoplasma infectie

  • 28. 
    Acute multifocale placoide pigmentepitheliopathie (AMPPE) heeft een aantal klinische kenmerken. Een van deze kenmerken is:
    • A. 

      Begin na voorafgaande ziekteverschijnselen

    • B. 

      Optreden bij mensen van middelbare leeftijd

    • C. 

      Hyperfluorescentie van de laesie in de vroege fase van de fluorescentieangiografie

    • D. 

      Bewezen gunstig effect van oraal prednison

  • 29. 
    Birdshot chorioretinopathie heeft een aantal kenmerken. Een van deze kenmerken is
    • A. 

      Associatie met HLA-A9

    • B. 

      Optreden bij adolescenten en jonge volwassenen

    • C. 

      Lokalisatie van typische geel witte retinale laesies beperkt tot de achterpool

    • D. 

      Lekkage van retinavaten op de fluorescentieangiografie

  • 30. 
    Multiple evanescent white dot syndrome (MEWDS) heeft een aantal klinische kenmerken. Een van deze kenmerken is:
    • A. 

      Optreden bij vrouwen ouder dan 50 jaar

    • B. 

      Dubbelzijdige visusdaling

    • C. 

      Aanwezigheid van multipele kleine (100-200mu) witte laesies in de achterpool

    • D. 

      Slechte visusprognose

  • 31. 
    Punctate inner chorioditis (PIC) heeft een aantal klinische kenmerken. Een van deze kenmerken is:
    • A. 

      Optreden bij myope vrouwen tussen de 20-40

    • B. 

      Eenzijdige visusdaling

    • C. 

      Vroege hyperfluorescentie van de funduslaesies bij de fluorescentieangiografie

    • D. 

      Verwaarloosbaar risico op chorioidale neovascularistatie

  • 32. 
    Rivierblindheid is een van de belangrijkste oorzaken van blindheid in de wereld. Met ‘river blindness’ wordt bedoeld:
    • A. 

      Leptospirosis

    • B. 

      Malaria

    • C. 

      Onchocerciasis

    • D. 

      Trachoom

  • 33. 
    Bij welke klinische presentatie is de diagnose oculaire toxocariasis het meest waarschijnlijk:
    • A. 

      Gepigmenteerd maculalitteken in beide ogen

    • B. 

      Leukocorie in beide ogen

    • C. 

      ‘linear equatorial streaks’ in een oog

    • D. 

      Perifeer granuloom in een oog

  • 34. 
    Pars planitis kan het best gedefinieerd worden als:
    • A. 

      Idiopathische intermediaire uveitis met ‘snowbanking’

    • B. 

      Intermediare uveitis door infectie met ‘human T-cell lymphoma virus 1’

    • C. 

      Intermediaire uveitis geassocieerd met MS

    • D. 

      Intermediaire uveitis geassocieerd met sarcoidose

  • 35. 
    Bij patiënten met AIDS treden opportunistische infecties op Retinitis bij AIDS is in de meerderheid der gevallen gevolg van infectie met:
    • A. 

      Cytomegalovirus

    • B. 

      Herperssimplexvirus

    • C. 

      Herpeszoster virus

    • D. 

      Toxoplasma gondii