ToT Welke Tak Behoor Je Fictief?

10 Vragen | Total Attempts: 137

Please wait...
ToT Welke Tak Behoor Je Fictief?

Wil je weten in welke tak je thuishoort, doe deze quiz dan eens.


Questions and Answers
  • 1. 
    Wat is de mandus voor jou?
    • A. 

      Een plaats om bij te leren.

    • B. 

      Mijn belangrijkste hobby.

    • C. 

      Een leuk tijdverdrijf.

    • D. 

      Een van al mijn hobby's.

    • E. 

      Een groot deel van mijn leven.

    • F. 

      Mandus staat voor mij gelijk aan plezier.

  • 2. 
    Hoeveel kampen heb ik al meegedaan?
    • A. 

      0-2

    • B. 

      2-5

    • C. 

      5-8

    • D. 

      8-11

    • E. 

      11-14

    • F. 

      Kant nimmer tellen, tzijn er te veel.

  • 3. 
    Weet ik het adres van de mandus?
    • A. 

      Nederhasseltstraat 339, 9404 Aspelare.

    • B. 

      Nederhasseltstraat 338, 9404 Aspelare.

    • C. 

      Nederhasseltstraat 228, 9404 Aspelare.

    • D. 

      Nederhasseltstraat 229, 9404 Aspelare

  • 4. 
    Ga ik graag op tweedaagse?
    • A. 

      Joa, alst maar ni te ver is.

    • B. 

      Kdoe ni liever.

    • C. 

      Khaat het, khebbet al teveel gedaan.

    • D. 

      Kben nog nooit op tweedaagste geweest.

    • E. 

      Ja, maar alleen als we aan een winkelke stoppen.

  • 5. 
    In welke tak zou ik graag zitten?
    • A. 

      Kapoenen

    • B. 

      Weka's

    • C. 

      Jonggivers

    • D. 

      Givers

    • E. 

      Jins

    • F. 

      Leiding

  • 6. 
    Wat doe ik vooral op de mandus?
    • A. 

      Spellekes spelen

    • B. 

      Werken

    • C. 

      Feesten

    • D. 

      Zitten

    • E. 

      Ervaring opdoen

    • F. 

      Vechten (voort lachen natuurlijk)

  • 7. 
    Hoe vaak zit ik op de mandus?
    • A. 

      Bijna elke dag.

    • B. 

      Zondag van 2 tot 5.

    • C. 

      Zondag van 2 tot 5 en na de activiteit blijf ik nog effkes.

    • D. 

      Bijna het volledige weekend.

    • E. 

      Zondag van 2 tot 5, maar ik ben er altijd wat vroeger.

    • F. 

      Zondag van 2 tot 5, maar ik ben er altijd wat vroeger en blijf na de activiteit nog effkes.

    • G. 

      Ik ben er als ik er moet zijn.

  • 8. 
    Op het eetfestijn...
    • A. 

      Eet ik vooral veel.

    • B. 

      Eet ik en help ik.

    • C. 

      Help ik en eet ik.

    • D. 

      Werk ik.

    • E. 

      Eet ik en speel ik.

  • 9. 
    Mijn uniform is...
    • A. 

      Perfect in orde.

    • B. 

      In orde, juist mijn jaarkenteken van vorig jaar hangt er nog op.

    • C. 

      Totaal niet in orde.

    • D. 

      Doe ik niet aan want ik heb geen.

    • E. 

      Heb ik wel maar doe ik bijna nooit aan.

    • F. 

      Verplicht, dus ik doe het aan.

  • 10. 
    Het kamp is...
    • A. 

      Te kort.

    • B. 

      Juist lang genoeg.

    • C. 

      Veel te lang.

    • D. 

      Lang, maar dat heb ik graag.