Medialandschap 1 Tentamen

31 Vragen | Total Attempts: 1237

SettingsSettingsSettings
Please wait...
Medialandschap 1 Tentamen

Gebasseerd op de vragen uit de hoor en werkcolleges


Questions and Answers
  • 1. 
    WAT IS EEN KENMERK VAN ORALE CULTUUR ?
    • A. 

      Broadcasten

    • B. 

      Memoriseren

    • C. 

      Analyseren

    • D. 

      Filosoferen

  • 2. 
    Kees van Wijk bespreekt in zijn boek De media-explosie de zeven kenmerken van de media-explosie. Wat bedoelt hij met ‘convergentie’?   
    • A. 

      Door toepassing van ICT zijn de media gedigitaliseerd.

    • B. 

      De verscheidenheid aan mediaproducten is enorm toegenomen.

    • C. 

      De mediakanalen en informatiedragers vloeien samen.

    • D. 

      De schaarste aan communicatiecapaciteit is verdwenen.

  • 3. 
    Waarom zegt Kees van Wijk dat wij een ‘media-explosie’ ervaren?
    • A. 

      Omdat wij worden overvallen door een vloedgolf aan mediabeelden.

    • B. 

      Omdat wij te veel meningen en emoties via media te verwerken krijgen.

    • C. 

      Omdat de hoeveelheid mediaproducten, kanalen en technieken enorm gegroeid is.

    • D. 

      Omdat wij ons verloren voelen door het geweld dat via media op ons afkomt.

  • 4. 
    Van Wijk noemt ‘diversificatie’ als een kenmerk van de  media-explosie. Wat wordt er bedoeld met ‘diversificatie’?
    • A. 

      De toename van verscheidenheid in het media-aanbod.

    • B. 

      In elke media-consument schuilt een producent.

    • C. 

      Het aantal mediacontacten is sterk toegenomen.

    • D. 

      De toename van pluriformiteit in printmedia.

  • 5. 
    Wat betekent het volgens Van Wijk als een medium  ‘connection-oriented’ communiceert?   
    • A. 

      De ontvangst van de boodschap is gelijktijdig aan de productie van de boodschap.

    • B. 

      De ontvangst van de boodschap is in dezelfde ruimte als de productie van de boodschap.

    • C. 

      De zender verstuurt de boodschap aan een aantal bekende ontvangers.

    • D. 

      De zender verstuurt de boodschap via interpersoonlijke communicatie.

  • 6. 
    Welk begrip past bij de ‘Gutenberg Bijbel’?
    • A. 

      Early communication

    • B. 

      Connection-oriented communication

    • C. 

      Point-to-point communication.

    • D. 

      Connectionless broadcast communication.

  • 7. 
    In de jaren ‘60 voelen journalisten zich verbonden met het oplossen van maatschappelijke problemen. Deze vorm van journalistiek wordt ook wel genoemd:
    • A. 

      Actie journalistiek.

    • B. 

      Burgerjournalistiek

    • C. 

      Geëngageerde journalistiek

    • D. 

      Betrokken journalistiek

  • 8. 
    In 1869 wordt het dagbladzegel afgeschaft. Wat is dat?
    • A. 

      Een belastingheffing op kranten.

    • B. 

      Een postzegel omdat er nog geen krantenbezorgers waren.

    • C. 

      Een verzegeling die de kwaliteit van kranten garandeerde.

    • D. 

      Een verzegeling om te voorkomen dat mensen de krant illegaal lazen.

  • 9. 
    Uit welke zuil is het blad "Moeder" afkomstig?
    • A. 

      De katholieke

    • B. 

      De protestante

    • C. 

      De socialistische

    • D. 

      De liberale

  • 10. 
    Wat is een nieuwsblad? Een krant die …….. verschijnt
    • A. 

      Regionaal, 1 t/m 4 keer per week, op abonnementsbasis

    • B. 

      Landelijk, 1 t/m 4 keer per week, via losse verkoop

    • C. 

      Regionaal, 6 keer per week, via losse verkoop

    • D. 

      Landelijk, 6 keer per week, op abonnementsbasis

  • 11. 
    Welke uitgeverij domineert de markt van vrouwenbladen? 
    • A. 

      Telegraaf

    • B. 

      Audax

    • C. 

      Sanoma

    • D. 

      Weekbladpers

  • 12. 
    De geschiedenis van de Nederlandse radio is sterk beïnvloed door de verzuiling. Welke omroep hoorde bij de vrijzinnig protestantse zuil?
    • A. 

      De VARA

    • B. 

      De VPRO.

    • C. 

      De KRO.

    • D. 

      De AVRO.

  • 13. 
    De Haagse ingenieur H.Idzerda à Steringa was een van de internationale radiopioniers. Wat heeft hij betekend voor de ontwikkeling van het medium radio?
    • A. 

      Hij was de uitvinder van de radiotelegrafie.

    • B. 

      Hij was de oprichter van de verzuilde radio.

    • C. 

      Hij zond voor het eerste een aangekondigd radioprogramma uit.

    • D. 

      Hij gebruikte radio voor het eerst voor het seinen van SOS-berichten.

  • 14. 
    Bij de ontwikkeling van het medium radio in Nederland stonden twee kwesties centraal. Eén van die kwesties was de discussie over ‘publiek of commercieel’. Wat was de andere kwestie?
    • A. 

      Nationaal of regionaal

    • B. 

      Nationaal of verzuild

    • C. 

      Kabel of ether

    • D. 

      FM of middengolf

  • 15. 
    Wat is de verhouding tussen het marktaandeel van de publieke en de commerciële omroep?
    • A. 

      Publiek 50%, commercieel 50%

    • B. 

      Publiek 40%, commercieel 60%

    • C. 

      Publiek 10%, commercieel 90%

    • D. 

      Publiek 60%, commercieel 40%

  • 16. 
    Welke vijf omroepverenigingen begonnen in 1951 met de eerste geregelde televisie-uitzendingen in Nederland?
    • A. 

      NCRV, KRO, VARA, NTS en TROS.

    • B. 

      NCRV, KRO, VARA, VPRO en TROS.

    • C. 

      NCRV, KRO, VARA, AVRO en TROS.

    • D. 

      NCRV, KRO, VARA, AVRO en VPRO.

  • 17. 
    Als reactie op het commerciële experiment van TV Noordzee op het REM-eiland voerde de regering in 1969 de Omroepwet in. Wat was het belangrijkste gevolg van deze wet?
    • A. 

      Commerciële televisie werd bij wet verboden.

    • B. 

      Commerciële televisie werd gelegaliseerd.

    • C. 

      Publieke omroepen mochten commercieel gaan uitzenden.

    • D. 

      Nieuwe omroepen konden toetreden tot het publieke bestel.

  • 18. 
    Het boek “Communicatiekaart” noemt drie factoren die leesgedrag voorspellen. Welke zijn dat?
    • A. 

      Regio, opleiding en gender

    • B. 

      Etniciteit, leeftijd en opleiding

    • C. 

      Gender, leeftijd en opleiding

    • D. 

      Leeftijd, regio en etniciteit,

  • 19. 
    In de geschiedenis van het boek bestaat er een periode van het ‘Hollandse wonder’. Wat wordt daarmee bedoeld?
    • A. 

      Dat er uitzonderlijk veel boeken gelezen werden vanwege het goede onderwijssysteem.

    • B. 

      Dat de rotatiepers ervoor zorgde dat boeken massaal gedrukt werden

    • C. 

      Dat Holland ongeveer 50 % van de wereldproductie van boeken voor haar rekening nam.

    • D. 

      Dat er door moedig verzet joodse boeken nooit in handen van de bezetter zijn gevallen.

  • 20. 
    Stel, je geeft aan jouw buurjongen een stripboek van Suske en Wiske. In welke hoofdrubriek van de boekenbranche valt dit boek?
    • A. 

      Educatieve uitgaven.

    • B. 

      Fictie en literaire non-fictie.

    • C. 

      Non-fictie vrije tijd/algemeen.

    • D. 

      Non-fictie informatief/professioneel.

  • 21. 
    Wat was het ARPANET in eerste instantie?
    • A. 

      Een testversie van Twitter.

    • B. 

      Een testversie van Internet.

    • C. 

      Een militaire computernetwerk

    • D. 

      Een academisch computernetwerk.

  • 22. 
    Een computernetwerk als het internet heeft geen centrum, alleen knooppunten. Waarom is deze eigenschap volgens Van Wijk zo belangrijk?
    • A. 

      Het zorgt ervoor dat het internet democratisch is, er is immers geen belangrijkste punt.

    • B. 

      Het zorgt ervoor dat het internet snel is, je kiest immers altijd de kortste route.

    • C. 

      Het zorgt ervoor dat het internet onkwetsbaar is, als een verbinding uitvalt kun je een andere kiezen.

    • D. 

      Het zorgt ervoor dat het internet goedkoop is, er is immers geen gecentraliseerde infrastructuur.

  • 23. 
    De vergrijzing is een belangrijke trend. Hoe wordt deze trend genoemd?
    • A. 

      Mesotrend.

    • B. 

      Gigatrend

    • C. 

      Microtrend.

    • D. 

      Macrotrend.

  • 24. 
    De YouTube-hit ‘Gangnam Style’ is een voorbeeld van een:
    • A. 

      Mesotrend.

    • B. 

      Gigatrend

    • C. 

      Microtrend.

    • D. 

      Macrotrend.

  • 25. 
    Kies het antwoord met de juiste volgorde van een trendpiramide.
    • A. 

      IPhone, bereikbaar zijn, digitalisering

    • B. 

      Bereikbaar zijn, digitalisering, iPhone.

    • C. 

      IPhone, globalisering, bereikbaar zijn.

    • D. 

      IPhone, digitalisering, globalisering.

Back to Top Back to top