Nlp Practitioner Multiple Choice Theorie Vragen

157 Vragen | Total Attempts: 615

SettingsSettingsSettings
Please wait...
Nlp Practitioner Multiple Choice Theorie Vragen

Ben je bezig met een opleiding tot NLP practitioner dan krijg je een heleboel theorie over je heen.  Wanneer jij je deze theorie eigen wilt maken kan het helpen om de vragen uit deze quiz meerdere malen te beantwoorden totdat je een voor jouzelf positief resultaat hebt bereikt. Is het al weer een tijd geleden dat je een NLP opleiding of cursus hebt gevolgd, dan is het wellicht ook zinvol om de vragen te beantwoorden om te ervaren of je kennis nog op peil is, of dat je de quiz nog een aantal keren mag doorlopen om het gewenste resultaat te behalen.


Questions and Answers
  • 1. 
    Waarvoor staat de afkorting NLP?
    • A. 

      Neuro LinguallProgramma

    • B. 

      Normal Local Performance

    • C. 

      Neuro Linguïstisch Programmeren

  • 2. 
    Wat wordt bedoeld met het coachmodel?
    • A. 

      Een hulpmiddel bij de weg van huidige naar gewenste situatie

    • B. 

      Een rolmodel als voorbeeld voor gewenst gedrag

    • C. 

      Een coach die fungeert als rolmodel

  • 3. 
    Hoeveel posities kent het coachmodel?
    • A. 

      2

    • B. 

      5

    • C. 

      4

    • D. 

      3

  • 4. 
    Welke coachposities kent het coachmodel?
    • A. 

      Huidige en gewenste situatie; hulpbronnen; hindernissen; future pace

    • B. 

      As if; hindernissen; future pace; huidige situatie

    • C. 

      Hulpbronnen; huidige situatie; gewenste situatie; hindernissen

  • 5. 
    Wat wordt bedoeld met het " as if " frame?
    • A. 

      NLP techniek waarmee een gewenste situatie/ gedrag/ doel wordt ervaren.

    • B. 

      NLP techniek waarmee een ander wereldmodel wordt gecreëerd

    • C. 

      NLP techniek die ons grenzen geeft.

  • 6. 
    Welke as- if situaties zijn er mogelijk?
    • A. 

      In: plaats; rol; gevoel; kunnen

    • B. 

      In: tijd; gedrag; persoon; informatie

    • C. 

      In: plaats; gedrag; persoon; kunnen

  • 7. 
    Hoe werkt het as- if frame niet?
    • A. 

      Als een extra hulpbron in de huidige situatie

    • B. 

      Een toekomstige interne representatie

    • C. 

      Door de ogen van een ander

  • 8. 
    Wat wordt binnen NLP bedoeld met een anker?
    • A. 

      Een stimulus verbonden aan een bedoelde respons

    • B. 

      Een onbewuste actie gevolgd door een gewenste reactie

    • C. 

      Een bewuste actie die een reactie tot gevolg heeft

  • 9. 
    Wat is in NLP taal een definitie van ankeren.
    • A. 

      Het creëren van een gewenste stemming

    • B. 

      Het bewust vermijden van ongewenst gedrag middels een stimulus

    • C. 

      De denominalisatie van de stimulusrespons, waardoor het weer een proces wordt

  • 10. 
    Hoeveel stappen kent in essentie het ankerproces?
    • A. 

      7

    • B. 

      9

    • C. 

      4

    • D. 

      5

  • 11. 
    In welke volgorde verloopt het ankerproces?
    • A. 

      1. Test anker; 2. Levendige ervaring herinneren; 3. Specifieke stimulus op het hoogtepunt; 4. Verander stemming/ breakstate

    • B. 

      1. Levendige ervaring herinneren, 2. Verander stemming/ breakstate; 3. Test anker; 4. Specifieke stimulus op het hoogtepunt

    • C. 

      1. Levendige ervaring herinneren; 2. Specifieke stimulus op het hoogtepunt; 3. Verander stemming/ breakstate; 4. Test anker

  • 12. 
    Wat is een andere omschrijving van een resource anker?
    • A. 

      Een hulpbron

    • B. 

      Een vermogende stemming

    • C. 

      State- control

  • 13. 
    Wat doet een goed geplaatst resource anker met je?
    • A. 

      Die maakt je bewust van de huidige situatie

    • B. 

      Die brengt je in een vermogende stemming

    • C. 

      Elimineert een vervelende stemming

  • 14. 
    Hoe lang duurt het plaatsen van een anker ongeveer?
    • A. 

      Van 3 tot 9 seconden

    • B. 

      Van 15 tot 30 seconden

    • C. 

      Van 5 tot 15 seconden

  • 15. 
    Wanneer start het plaatsen van een anker?
    • A. 

      Aan het begin van de piek van de ervaring

    • B. 

      Op het hoogtepunt van de ervaring

    • C. 

      Vlak na het hoogtepunt van de ervaring

  • 16. 
    Wat is het doel van een breakstate?
    • A. 

      Maakt de coaches vrolijk cq. Maakt de coaches aan het lachen

    • B. 

      Brengt de coaches in een andere gemoedstoestand/ andere interne representatie

    • C. 

      Haalt de coaches uit zijn/haar trance

  • 17. 
    Wat zijn de sleutels voor succesvol ankeren?
    • A. 

      Rapport; duur van de stimulus; sterke breakstate; unieke ervaring

    • B. 

      Associatie; actueel anker; intense kinesthetische stimulus; veilige context

    • C. 

      Intensiteit van de ervaring; timing van het anker; unieke stimulus; herhaling stimulus

  • 18. 
    Welke uitspraak geeft het verschil tussen stemming/ waarde en doel/uitkomst aan?
    • A. 

      Rijk - kapitaal sparen

    • B. 

      Gezondheid - geneesmiddelen

    • C. 

      Werken - vakantie

  • 19. 
    Hoe kunnen we een doel of uitkomst in algemene termen omschrijven?
    • A. 

      Een doel is een onbereikbare situatie

    • B. 

      Een doel is een gewenste situatie

    • C. 

      Een doel is heel ver weg

  • 20. 
    Op welke wijze kan ik mijn doel of uitkomst formuleren?
    • A. 

      Door aan te geven waar ik nu ben

    • B. 

      Door aan te geven waar ik vandaan

    • C. 

      Door aan te geven wat ik wil bereiken of vermijden

  • 21. 
    Welke doelformulering brengt je in een negatieve stemming?
    • A. 

      Een noteren representatie van wat je niet wil, geeft je een negatieve stemming met bijbehorende fysiologie

    • B. 

      Een positieve stemming doorbreek je door een vervelend iemand te benaderen

    • C. 

      Door een oude herinnering los te laten

  • 22. 
    Wat is een voordeel van een positief geformuleerd doel?
    • A. 

      Dan bereik je je doel zonder zonder hulp van interne of externe hulpbronnen

    • B. 

      De interne weergave van wat je wil, genereert een vermogende stemming met bijbehorende fysiologie

    • C. 

      Een positief geformuleerd doel heft alle belemmeringen uit het verleden op

  • 23. 
    Welke doelvormvoorwaarden zijn de juiste?
    • A. 

      Speciaal; meetbaar; alsof het nu is; realistisch; tijdelijk

    • B. 

      Sociaal; te meten; het is alsof; idealistisch; op tijd

    • C. 

      Specifiek; meetbaar; alsof het nu is; realistisch; tijdsgebonden

  • 24. 
    Op welke wijze kan je een  een doel versterken?
    • A. 

      Door het doel zintuiglijk specifieker te maken

    • B. 

      Door het doel te verbinden met je overtuiging

    • C. 

      Door het doel groter te maken

  • 25. 
    Wat is feedback
    • A. 

      Het ontvangen van informatie over je prestaties

    • B. 

      Het terugkoppelen van hoe gedrag van een ander op je overkomt

    • C. 

      Het aanpassen van je gedrag aan de wensen van een ander

Back to Top Back to top