Clinical Optics 2006

50 Vragen

Settings
Please wait...
Optics Quizzes & Trivia

nog geen uitlegOptica 2006 dd 25 oktober 2006


Questions and Answers
  • 1. 
    Indien bij keratometrie de horizontazel meridiaan 46D bedraagt, en de verticale meridiaan 44D, dan is er sprake van:
    • A. 

      Astigmatisme tegen de regel

    • B. 

      Astigmatisme volgens de regel

    • C. 

      Gemegd astigmatisme

    • D. 

      Irregulair astigmatisme

  • 2. 
    Een prismabril voor diplopie bij convergent scheelzien heeft de basis van het prisma:
    • A. 

      OD op 0 graden en OS op 0 graden

    • B. 

      OD op 0 graden en OS op 180 graden

    • C. 

      OD op 180 graden en OS op 0 graden

    • D. 

      OD op 180 graden en OS op 180 graden

  • 3. 
    Een patient heeft voor het lezen een vergroting van 10x nodig. Het meest geschikte optische hulpmiddel is dan een:
    • A. 

      Beeldschermloep (TV-loep)

    • B. 

      Binoculaire hoge leesadditie en prismacorrectie basis nasaal

    • C. 

      Telescoopbril

    • D. 

      Visoletloep

  • 4. 
    Een patient met lage visus kan op korte afstand binoculair lezen met een leesadditie van +8D en prismacorriectie welke nodig is voor de korte afstand. De mest gebruikelijke prismasterkte in dit geval is:
    • A. 

      4 prismadioptrie basis nasaal OD en 4 prisma dioptrie basis nasaal OS

    • B. 

      4 prismadioptrie basis temporaal OD en 4 prisma dioptrie basis temporaal OS

    • C. 

      10 prismadioptrie basis nasaal OD en 10 prisma dioptrie basis nasaal OS

    • D. 

      10 prismadioptrie basis temporaal OD en 10 prisma dioptrie basis temporaal OS

  • 5. 
    De spectrale gevoeligheid van het menselijk oog loopt van ongeveer 400 tot 700 nm. De ondergrens wordt beperkt door:
    • A. 

      De cornea

    • B. 

      De lens

    • C. 

      Het glasvocht

    • D. 

      Het absortiespectrum van rhodopsine in de blauwe kegel

  • 6. 
    Wanneer licht met een zeker frequentie en golflengte vanuit lucht in het oog komt dan:
    • A. 

      Stijgt de frequentie.

    • B. 

      Daalt de frequentie.

    • C. 

      Stijgt de golflengte.

    • D. 

      Daalt de golflengte.

  • 7. 
    Welke van de onderstaande situaties kan berusten op fluorescentie?
    • A. 

      Rood belichten, groen oplichten

    • B. 

      Geel belichten, groen oplichten

    • C. 

      Groen belichten, rood oplichten

    • D. 

      Geel belichten, rood oplichten

  • 8. 
    De optiek van het menselijk oog heeft, in focus, zijn beste afbeelding voor een pupil van ongeveer:
    • A. 

      2,5mm; bij kleinere pupillen wordt diffractie beperkend, bij grotere pupillen aberraties

    • B. 

      2,5mm; bij kleinere pupillen beperken aberraties de afbeelding, bij grotere pupillen diffractie

    • C. 

      1,2 mm (stenopeische opening); daarboven beperken aberraties de afbeelding

    • D. 

      4mm (natuurlijke pupil bij een gemiddeld verlichtigsniveau); het oog is daar evolutionair optimaal aan aangepast

  • 9. 
    De 'airy disk' is - gegeven een bepaalde opening-
    • A. 

      Voor rood licht groter dan voor groen licht en berust op diffractie.

    • B. 

      Voor rood licht groter dan voor groen licht en berust op dispersie

    • C. 

      Voor groen licht groter dan voor rood licht en berust op diffractie

    • D. 

      Voor groen licht groter dan voor rood licht en berust op dispersie

  • 10. 
    De hoeveelheid reflectie van gepolariseerd licht op een scheidingsvlak van twee media met verschillende brekingsindex is het grootste voor licht met:
    • A. 

      Polarisatie parallel aan het vlak van inval bij bijna loodrechte inval

    • B. 

      Polarisatie parallel aan het vlak van inval bij inval bijna parallel aan het scheidingsvlak

    • C. 

      Polarisatie loodrecht aan het vlak van inval bij bijna loodrechte inval

    • D. 

      Polarisatie loodrecht aan het vlak van inval bij inval bijna parallel aan het scheidingsvlak

  • 11. 
    Photodisruptie treedt op indien laserlicht wordt toegepast met t.o.v. photocoagulatie:
    • A. 

      Een relatief groot vermogen gedurende een relatief korte tijd

    • B. 

      Een relatief groot vermogen gedurende een relatief lange tijd

    • C. 

      Een relatief klein vermogen gedurende een relatief korte tijd

    • D. 

      Een relatief klein vermogen gedurende een relatief lange tijd

  • 12. 
    Er zijn vele varianten van de klassieke rood-groen test denkbaar. Bij een rood-geeltest is er een verschil van ca. 0,25 D tussen de optimale focussering voor de beide kleuren van de stimulus. Bij een rood-blauwtest zal dit verschil:
    • A. 

      Iets groter zijn; het blauwe licht wordt dichter bij de lens gefocuseerd dan het rode licht

    • B. 

      Iets groter zijn; het blauwe licht wordt verder van de lens gefocuseerd dan het rode licht

    • C. 

      Iets kleiner zijn; het blauwe licht wordt dichter bij de lens gefocuseerd dan het rode licht

    • D. 

      Iets kleiner zijn; het blauwe licht wordt verder van de lens gefocuseerd dan het rode licht

  • 13. 
    Acrylaat-implantlenzen hebben een hogere brekingsindex dan siliconenlenzen. Dit resulteert, gegeven een bepaalde implantsterkte, voor acrylaatlenzen in:
    • A. 

      Meer reflecties en een sterker gekromd voor- en/of achtervlak

    • B. 

      Meer reflecties en een minder gekromd voor- en/of achtervlak

    • C. 

      Minder reflecties en een sterker gekromd voor- en/of achtervlak

    • D. 

      Minder reflecties en een minder gekromd voor- en/of achtervlak

  • 14. 
    Totale interne reflectie maakt het bekijken van de kamerhoek zonder hulpmiddelen onmogelijk. Totale interne reflectie doet zich voor op de:
    • A. 

      Anterieure zijde van de cornea en kan omzeild worden met een luchtbel in de VOK

    • B. 

      Anterieure zijde van de cornea en kan niet omzeild worden met een luchtbel in de VOK

    • C. 

      Posterieure zijde van de cornea en kan omzeild worden met een luchtbel in de VOK

    • D. 

      Posterieure zijde van de cornea en kan niet omzeild worden met een luchtbel in de VOK

  • 15. 
    Bij een afwijkende anatomie van het voorsegment is het soms wel mogelijk de kamerhoek zonder hulpmiddelen te bekijken. De kans hierop is het grootste bij een:
    • A. 

      Vlakke cornea en ondiepe voorste oogkamer

    • B. 

      Vlakke cornea en diepe voorste ogkamer

    • C. 

      Steile cornea en ondiepe voorste oogkamer

    • D. 

      Steile cornea en diepe voorste oogkamer

  • 16. 
    Een voorwerp wordt afgebeeld door een lens. De paraxiale benadering schiet vooral tekort bij het bepalen van de:
    • A. 

      Grootte van de afbeelding

    • B. 

      Kwaliteit van de afbeelding

    • C. 

      Orientatie van de afbeelding

    • D. 

      Plaats van de afbeelding

  • 17. 
    Wat is de sterkte van een cornea met een keratometriewaarde (radius) van 6,6mm? De brekingsindex van de cornea is 1,3375.
    • A. 

      45D

    • B. 

      48D

    • C. 

      51D

    • D. 

      54D

  • 18. 
    Tijdens een consult aan bed bekijk je een cornea ulcus met een 20D lens. Je houdt de lens, die je als een dunne lens in lucht mag beschouwen, op 3 cm van de cornea.
    • A. 

      De vergroting bedraagt ongeveer 1,7 keer, het beeld staat rechtop.

    • B. 

      De vergroting bedraagt ongeveer 1,7 keer, het beeld staat op de kop.

    • C. 

      De vergroting bedraagt ongeveer 2,5 keer, het beeld staat rechtop.

    • D. 

      De vergroting bedraagt ongeveer 2,5 keer, het beeld staat op de kop.

  • 19. 
    Een lichtstraal die parallel aan de optische as een lenzenstelstel binnenkomt bepaalt de ligging van een
    • A. 

      Koop- en hoofdpunt.

    • B. 

      Hoofd- en brandpunt.

    • C. 

      Brand- en knooppunt

    • D. 

      Knoop-, brand-, en hoofdpunt

  • 20. 
    Bij een prisma is de breking:
    • A. 

      Minimaal als de lichtstralen loodrecht invallen (Prentice position)

    • B. 

      Minimaal als de lichtstralen het prisma loodrecht verlaten

    • C. 

      Minimaal als de lichtstralen binnen in het prisma parallel aan de basis lopen

    • D. 

      Niet afhankelijk van de posistie van het prisma zolang er geen totale interne reflectie optreedt

  • 21. 
    Een prisma met een sterkte van 20 prismadioptrie buigt een lichtstraal af over een hoek van ongeveer:
    • A. 

      2 graden

    • B. 

      10 graden

    • C. 

      20 graden

    • D. 

      40 graden

  • 22. 
    Een prisma van 10 prismadioptrie basis onder en een prisma van 10 prismadioptrie basis buiten vormen samen:
    • A. 

      Een prisma van 0 prismadioptrie

    • B. 

      Een prisma van 14 prismadioptrie

    • C. 

      Een prisma van 20 prismadioptrie

    • D. 

      Prisma's mogen alleen samengevoegd worden als hun orientatie hetzelfde is

  • 23. 
    Een cilinder van -1D op 90 graden en een cilinder van -1D op 0 graden vormen samen:
    • A. 

      Een sferisch glas van -1D

    • B. 

      Een cilinder van -1,4D op 45 graden

    • C. 

      Een cilinder van -2,0D op 45 graden

    • D. 

      Cilinders mogen alleen samengevoegd worden als

  • 24. 
    Parellelle lichstralen worden door een zuiver sferisch oppervlak afgebeeld. Je bepaalt op twee manieren de plaats van de afbeelding (het brandpunt van het sferische oppervlak): met 'ray-tracing', door te kijken waar de puntspreadfunctie het smalste is, en met een paraxiale benadering. Er geldt:
    • A. 

      Op de beide wijzen gevonden brandpunten vallen samen omdat een zuiver sferisch oppervlak geen longitudinale sferische aberratie heeft.

    • B. 

      De op beide wijzen gevonden brandpunten vallen samen omdat een zuiver sferisch oppervlak geen transversale sferische aberratie heeft

    • C. 

      'ray-tracing' geeft een iets kortere brandpuntsafstand

    • D. 

      'ray-tracing' geeft een iets langere brandpuntsafstand

  • 25. 
    De optiek van het menselijk oog wordt gevormd door de cornea en de lens. Deze hebben een gemiddelde sterkte van respectievelijk 43D en 19D. In een bekend oogmodel, 'the reduced schematic eye', zijn beide tezamen vervangen door een enkel brekend oppervlak. Dit oppervlak heeft een sterkte van:
    • A. 

      24D

    • B. 

      58D

    • C. 

      62D

    • D. 

      66D

  • 26. 
    De snellen-gezichtsscherpte wordt gemeten met optotypen die zodanig zijn geconstrueerd dat de letter als geheel op de normafstand D gezien worden onder hoek van:
    • A. 

      1 boogminuut

    • B. 

      2 boogminuten

    • C. 

      3 boogminuten

    • D. 

      5 boogminuten

  • 27. 
    U beschikt over een skiascoop met een divergente bundel ('plano mirror setting') en een brillendoos. U ziet een dunne streak die langzaam tegeloopt. De eerste lens die u uit de brillendoos pakt heeft een sterkte van:
    • A. 

      -0,5D

    • B. 

      -5,0D

    • C. 

      +0,5D

    • D. 

      +5,0

  • 28. 
    Tijdens skiascopieop 40 cm werkafstand treedt in de horizontale richting neutralisatie op met een +5D lens voo het oog, vertikaal met een +3D lens voor het oog. De bijbehorende refractie bedraagt:
    • A. 

      S+5,0 = C-2,0 as 90 graden

    • B. 

      S+5,0 = C-2,0 as 180 graden

    • C. 

      S+2,5 = C-2,0 as 90 graden

    • D. 

      S+2,5 = C-2,0 as 180 graden

  • 29. 
    Een goede volgorde bij subjectieve refractie is:
    • A. 

      Globaal sferisch, cilindersterkte, sferisch optimaliseren, cilinder as.

    • B. 

      Globaal sferisch, cilindersterkte, cilinder as, sferisch optimaliseren

    • C. 

      Globaal sferisch, cilinder as, sferisch optimaliseren, cilindersterkte

    • D. 

      Globaal sferisch, cilinder as, cilindersterkte, sferisch optimaliseren

  • 30. 
    Om bij presbyopie met een sterke vertebril te kunnen lezen:
    • A. 

      Duwt de myoop zijn bril dichter op het hoofd en laat de hypermetroop de bril op de neuspunt zakken

    • B. 

      Duwt de hypermetroop zijn bril dichter op het hoofd en laat de myoop de bril op de neuspunt zakken

    • C. 

      Duwen beide de bril dichter op het hoofd

    • D. 

      Laten beide de bril op de neuspunt zakken

  • 31. 
    Ruimtelijke vervorming ('distorsion') bij de correctie van astigmatisme middels een bril:
    • A. 

      Is in essentie een monoculair probleem en neemt toe met toenemende vertex

    • B. 

      Is in essentie een monoculair probleem en neemt toe naarmate de as verder verwijderd is van 90 of 180 graden

    • C. 

      Is in essentie een binoculair probleem en komt vooral voor bij sterke schuine cinlinders die parallel lopen

    • D. 

      Is in essentie een binoculair probleem en komt vooral voor bij sterke schuine cilinders die een tegengestelde as hebben

  • 32. 
    Een 45-jarige die monofocale contactlenzen vervangt door een enkelvoudige bril zal:
    • A. 

      Meer moeite krijgen met accomoderen

    • B. 

      Minder moeite krijgen met accomoderen

    • C. 

      Als hypermetroop meer, en als myoop minder moeite krijgen met accomoderen

    • D. 

      Als myoop meer, en als hypermetroop minder moeite krijgen met accomoderen

  • 33. 
    Een 45-jarige die monofocale contactlenzen vervangt door een enkelvoudige bril zal bijlezen:
    • A. 

      Meer moeite krijgen met convergeren

    • B. 

      Minder moeite krijgen met convergeren

    • C. 

      Als hypermetroop meer, en als myoop minder moeite krijgen met convergeren

    • D. 

      Als myoop meer, en als hypermetroop minder moeite krijgen met convergeren

  • 34. 
    Een oudere jongere met een resterende accomodatiebreedte van 3D heeft om te lezen op 40cm een leesadditie nodig van ongeveer:
    • A. 

      0D (nog geen additie nodig)

    • B. 

      +1D

    • C. 

      +1,75D

    • D. 

      +2,25D

  • 35. 
    Een presbyoop met nog 1D accomodatie heeft veel plezier van zijn bifocaal met een additie van +2D. Hij mist echter de tussenafstand. De optimale additie voor het middelste glas van de trifocale bril is:
    • A. 

      +0,5D

    • B. 

      +1,0D

    • C. 

      +1,5D

    • D. 

      +2,0D

  • 36. 
    Een anisometropie hypermetroop heeft een refractie van S+4D rechts en S+1D links. De benodigde leesadditie bedraagt 2,5D. Er wordt een bifocale bril aangemeten. Hij verdraagt een heteroforie van 1 prismadioptrie. Hoeveel mm mag het leesdeel maximaal onder het optische centrum van het verteglas zitten, aannemende dat het verteglas symmetrisch t.o.v. de pupil wordt geplaatst?
    • A. 

      1mm

    • B. 

      3mm

    • C. 

      6mm

    • D. 

      9mm

  • 37. 
    Een 60-jarige myoop van -4D en een visus van 1.0 kan goed lezen zonder bril maar heeft bij vermoeidheid last van een exoforie nabij. Een goede oplossing voor dit probleem kan zijn:
    • A. 

      Een aparte leesbril met een effectieve additie van +4D met de glazen naar binnen gedecentreerd.

    • B. 

      Een aparte leesbril met een effectieve additie van +4D met de glazen naar buiten gedecentreerd.

    • C. 

      Een aparte leesbril met een effectieve additie van +4D met de glazen naar beneden gedecentreerd

    • D. 

      Een leesbril van -1,5D

  • 38. 
    Bij een patient die oorspronkelijk twee gelijke ogen had wordt tijdens een ablatio-operatie de cerclageband wat hard aangetrokken. De resulterende axiale anisometropie leidt tot klachten van aniseikonie en anisophorie.
    • A. 

      Voor de aniseikonie is brilcorrectie van de anisometropie te prefereren, voor de anisophorie contactlenzen

    • B. 

      Voor de aniseikonie is contactlenscorrectie van de anisometropie te preferen, voor de anisophorie een bril.

    • C. 

      Voor beide problemen zijn contactlenzen de meest ideale oplossing

    • D. 

      Voor beide problemen is een bril de meest ideale oplossing

  • 39. 
    Een patient met een refractie S-4,0=C-1,50 as 180 graden en keratometrie-waarden van 9,0mm op 180 graden en 7,7mm op 90 graden is optisch het meest gebaat bij een:
    • A. 

      Harde contactlens van -4,0D met een base curve van 8,0 mm.

    • B. 

      Harde contactlens van -4,0D met een base curve van 7,7 mm.

    • C. 

      Harde contactlens van -5,5 D met een base curve van 8,0mm

    • D. 

      Zachte contactlens van -4,75D.

  • 40. 
    Voor de refractie S-4,0 = C-1,50 as 180 graden geldt:
    • A. 

      Het sferisch equivalent is -4,0D en het is astigmatisme volgens de regel

    • B. 

      Het sferische equivalent is -4,0D en het is astigmatisme tegen de regel

    • C. 

      Het sferische equivalent is -4,75D en het is astigmatisme volgens de regel

    • D. 

      Het sferische equivalent is -4,75D en het is astigmatisme tegen de regel

  • 41. 
    Afwijkingen van de SRK-formule treden vooral op:
    • A. 

      Bij korte aslengtes, men moet daar een grotere A-constante kiezen

    • B. 

      Bij korte aslengtes, men moet daar een kleinere A-constante kiezen

    • C. 

      Bij lange aslengtes, men moet daar een grotere A-constante kiezen

    • D. 

      Bij lange aslengtes, men moet daar een kleinere A-constante kiezen

  • 42. 
    Tijdens een cataractextractie gaat niet alles naar wens. Na de vitrectomie anterior gaat de vouwlens (A-constante 118,9), bedoeld voor plaatsing in de kapsel, retour voorraadkast en er wordt een PMMA-lens (A-constante 118,0) van dezelfde sterkte in de sulcus geplaatst. De beoogde postoperatieve refractie was -1D. De patient wordt nu waarschijnlijk:
    • A. 

      +1D

    • B. 

      Emmetroop

    • C. 

      -1D

    • D. 

      -2D

  • 43. 
    Na LASIK/PRK veranderen de monochromatische aberraties van oog.
    • A. 

      Sferische aberratie neemt i.h.a. toe, coma kan optreden wanneer de behandeling niet goed gecentreerd wordt uitgevoerd.

    • B. 

      Sferische aberratie neemt i.h.a. af, coma kan optreden wanneer de behandeling niet goed gecentreerd wordt uitgevoerd.

    • C. 

      Sferische aberratie neemt i.h.a. toe, coma kan optreden wanneer er een restant astigmatisme blijft bestaan.

    • D. 

      Sferische aberratie neemt i.h.a. af, coma kan optreden wanneer er een restant astigmatisme blijft bestaan.

  • 44. 
    De 'World Health Organization' (WHO) definieert 'legal blindness' als:
    • A. 

      Best gecorrigeerde Snellen-visus van 20/200 of slechter in het beste oog, of een gezichtsveld van 10 graden in het beste oog of slechter in het beste oog

    • B. 

      Best gecorrigeerde Snellen-visus van 20/400 of slechter in het beste oog, of een gezichtsveld van 10 graden in het beste oog of slechter in het beste oog

    • C. 

      Best gecorrigeerde Snellen-visus van 20/200 of slechter in het beste oog, of een gezichtsveld van 20 graden in het beste oog of slechter in het beste oog

    • D. 

      Best gecorrigeerde Snellen-visus van 20/400 of slechter in het beste oog, of een gezichtsveld van 20 graden in het beste oog of slechter in het beste oog

  • 45. 
    Wanneer het 'preferred retinal locus' niet samenvalt met de fovea dan is de meest waarschijnlijke diagnose:
    • A. 

      Cataract

    • B. 

      Diabetische maculopathie

    • C. 

      Glaucoom

    • D. 

      Maculadegeneratie

  • 46. 
    Een patient van 70 jaar met zowel OD als OS een visus van 0,16 is voor lezen waarschijnlijk het meest gebaat bij een additie van:
    • A. 

      +4D binoculair

    • B. 

      +6D binoculair

    • C. 

      +6D monoculair

    • D. 

      +8D monoculair

  • 47. 
    Bij welk glas staat het fundusbeeld op de kop?
    • A. 

      Goldmann-funduscontactglas

    • B. 

      Goldmann-driespiegelcontact glas, centrale deel.

    • C. 

      Hruby-lens

    • D. 

      Panfundoscoop

  • 48. 
    Voor het bekijken van cornea-endotheelcellen gebruikt men een smallen lichtbundel waarbij:
    • A. 

      De lichtbundel en de kijkrichting parallel moeten zijn

    • B. 

      De lichtbundel loodrecht op de cornea moet vallen

    • C. 

      De kijkrichting loodrecht op de cornea moet staan

    • D. 

      Lichtbundel en kijkhoek dezelfde hoek maken t.o.v. de normaal

  • 49. 
    Reflexbeelden in de cornea zoals die gebruikt worden bij keratometrie:
    • A. 

      Zijn groter dan het voorwerp dat gereflecteerd wordt en staan rechtop

    • B. 

      Zijn groter dan het voorwerp dat gereflecteerd wordt en staan op de kop

    • C. 

      Zijn kleiner dan het voorwerp dat gereflecteerd wordt en staan rechtop

    • D. 

      Zijn kleiner dan het voorwerp dat gereflecteerd wordt en staan op de kop

  • 50. 
    De standaardlens in een optische lenssterktemeter
    • A. 

      Heeft een van zijn brandpunten ter plaatse van het te meten brilleglas

    • B. 

      Heeft een van zijn brandpunten ter plaatse van de lichtbron

    • C. 

      Wordt geplaatst tussen het te meten brilleglas en het oculair

    • D. 

      Wordt geplaatst in het brandpunt van het te meten brilleglas