Clinical Optics 2002

49 Questions

Settings
Please wait...
Optics Quizzes & Trivia

Landelijke toets Oogheelkunde dd16. 10. 2002


Questions and Answers
  • 1. 
    Een myope persoon duwt zijn bril dichterbij zijn cornea om beter in de verte te kunnen zien. Dit duidt op:
    • A. 

      Ondercorrectie

    • B. 

      Esoforie

    • C. 

      Overcorrectie

    • D. 

      Exoforie

  • 2. 
    Een 58-jarige patient heeft een visus van 20/80. Met gebruik van Kestenbaum's regel kan men snel ongeveer zijn benodigde leesadditie en leesafstand berekenen. Deze zijn:
    • A. 

      Leesadditie S+3 met een leestafstand van 20 cm

    • B. 

      Leesadditie S+4 met een leesafstand van 25 cm

    • C. 

      Leesadditie S+3 met een leesafstand van 10 cm

    • D. 

      Leesadditie S+8 met een leesafstand van 20 cm

  • 3. 
    De Goldmann applanatietonometer heeft een transparante applanatiekop met een diameter van 3,06mm, omdat dan:
    • A. 

      Het ingedrukte corneaoppervlak een traanfilm-oppervlaktespanning van nul heeft

    • B. 

      De kracht veroorzaakt door de sclera-rigiditeit kleiner is dan de kracht veroorzaakt door de oppervlaktespanning van de traanfilm

    • C. 

      De kracht veroorzaakt door de slera-rigiditeit nul is

    • D. 

      De kracht veroorzaakt door de sclera rigiditeit wegvalt tegen de kracht veroorzaakt door de oppervlaktespanning van de traanfilm

  • 4. 
    De A-constante van een intraoculaire lens is 117 en van een andere intraoculaire lens is de A-constante 118. Wat kunt u zeggen over de benodigde dioptische sterkte voor emmetropie?
    • A. 

      De benodigde sterkte is bij beide intraoculaire lenzen hetzelfde

    • B. 

      Bij de lens met een A-constante van 117 is de benodigde sterkte 0,1D hoger dan bij de lens met een A-constante van 118

    • C. 

      Bij de lens met een A-constante van 117 is de benodigde sterkte lager dan bij de lens met een A-constante van 118

    • D. 

      Bij de lens met een A-constante van 117 is de benodigde sterkte 1D hoger dan bij de lens met een A-constante van 118

  • 5. 
    De brekingsindex van de cornea bedraagt 1,3375. Hoeveel bedraagt de brekende sterkte van de cornea indien bij Javal-keratometrie een radius wordt gemeten van 8,0mm?
    • A. 

      40D

    • B. 

      42D

    • C. 

      44D

    • D. 

      46D

  • 6. 
    Met de laser interferometer kan men:
    • A. 

      De hardheid van de lensnucleus testen

    • B. 

      De dikte van de cornea testen

    • C. 

      Glare klachten testen

    • D. 

      De maculafunctie testen

  • 7. 
    Bij de skiascopie meet men in de verticale meridiaan een waarde van -1D en in de horizontale meridiaan een waarde van +3D. Dit noteert men als:
    • A. 

      S-1,0 0= C+3,00 x9 0

    • B. 

      S+3,00 = C-4,00 x 180

    • C. 

      S-1,00 = C+4,00 x 180

    • D. 

      S+3,00 = C-4,00 x 90

  • 8. 
    Wat is juist betreffende astigmatisme?
    • A. 

      Astigmatisme volgens de regel: heeft de steilste cornea-meridiaan verticaal en een horizontale min-cilinderas in het corrigerende glas

    • B. 

      Astigmatisme volgens de regel: heeft de steilste cornea-meridiaan horzinzontaal en een horizontale plus-cilinderas in het corrigerende glas

    • C. 

      Astigmatisme tegen de regel: heeft de steilste cornea-meridiaan verticaal en een horizontale min-cilinderas in het corrigerende glas

    • D. 

      Astigmatisme tegende regel: heeft de steilste cornea-meridiaan horizontaal en een verticale plus-cilinderas in het corrigerende glas

  • 9. 
    U wilt endotheelcellen van de cornea bekijken. Op welke wijze lukt dit het best met het spleetlamponderzoek?
    • A. 

      Retro-illuminatie

    • B. 

      'specular reflection'

    • C. 

      Directe illuminatie

    • D. 

      Totale interne reflectie

  • 10. 
    Het zichtbare licht omvat ruwweg het volgende golflengtegebied:
    • A. 

      200 nm - 500nm

    • B. 

      300 nm - 1000nm

    • C. 

      400 nm - 700nm

    • D. 

      500 nm - 600nm

  • 11. 
    Welk deel van het spectrum kom extra op de retina na lensextractie zonder kunstlensimplantatie?
    • A. 

      UV

    • B. 

      IR

    • C. 

      Groen licht

    • D. 

      Rood licht

  • 12. 
    Onder 'golflengte' verstaan we:
    • A. 

      De afstand tussen 2 golftoppen

    • B. 

      De tijd tussen 2 golftoppen

    • C. 

      Het aantal trillingen per seconde

    • D. 

      De amplitude tussen het minimum en maximum van de golf

  • 13. 
    Een filter dat slechts een smal spectraal gebied doorlaat, is veelal gebaseerd op het fysisch principe van:
    • A. 

      Absorptie

    • B. 

      Polarisatie

    • C. 

      Interferentie

    • D. 

      Diffractie

  • 14. 
    Indien het stroma van de cornea te veel vocht bevat, kan me name het volgende fenomeen optreden:
    • A. 

      Haze (verstrooing)

    • B. 

      Absorptie

    • C. 

      Reflectie

    • D. 

      Diffractie

  • 15. 
    Een bloedvat van 1% van het opvallende licht doorlaat, heeft een optische dichtheid van:
    • A. 

      0.01

    • B. 

      0.1

    • C. 

      1.0

    • D. 

      2.0

  • 16. 
    U ziet een patient met een cornealitteken op uw spreekuur. Met optimale refractie bedraagt de gezichtsscherpte 0,4. Met deze correctie en een stenopeische opening bedraagt de visus 0,9. De beste verklaring hiervoor is:
    • A. 

      Simulatie

    • B. 

      Sferische aberratie

    • C. 

      Cataract

    • D. 

      Irregulair astigmatisme

  • 17. 
    Voor de binoculaire amplitude van accommodatie een monoculaire amplitude van accommodatie geldt:
    • A. 

      Binoculaire amplitude is groter dan monoculaire

    • B. 

      Monoculaire amplitude is groter dan binoculaire

    • C. 

      Beide amplitudes zijn gelijk

    • D. 

      Ze zijn onafhankelijk van de leeftijd

  • 18. 
    In het donker geldt het volgende:
    • A. 

      De patient wrodt meer hypermetroop

    • B. 

      De patient wordt meer myoop

    • C. 

      De patient wordt meer astigmaat

    • D. 

      De refractie veranderd niet

  • 19. 
    Een patient met eenzijdige afakie draagt een contactlens in het afake oog. Met deze contactlens ziet de patient 1,0 in de verte. Het andere oog is emmetroop en ziet zonder correctie 1,0 in de verte. Wanneer de contactlens gedragen wordt, is er sprake van een aniseikonie tussen de ogen van ongeveer:
    • A. 

      1%

    • B. 

      7%

    • C. 

      14%

    • D. 

      21%

  • 20. 
    Bij het ouder worden wordt de pupil vaak nauwer. Door de nauwere pupil:
    • A. 

      Neemt de scherptediepte toe

    • B. 

      Neemt de scherptediepte af

    • C. 

      Moet de patient eerder een leesbril opzetten

    • D. 

      Moet de patient de oogleden dichtknijpen

  • 21. 
    Een patient met beiderzijds een myopie van 6D is beiderzijds met PRK behandeld en nu emmetroop geworden.De sferische aberratie van de ogen is door de laserbehandeling waarschijnlijk:
    • A. 

      Gelijk gebleven

    • B. 

      Afgenomen

    • C. 

      Toegenomen

    • D. 

      Torisch geworden

  • 22. 
    Om een optimale gezichtsscherpte te bepalen met het gebruik van een stenopeische opening is van belang:
    • A. 

      Zowel optimale brilcorrectie als pupilverwijding

    • B. 

      Alleen optimale brilcorrectie

    • C. 

      Alleen pupilverwijding

    • D. 

      Noch optimale brilcorrectie noch pupilverwijding

  • 23. 
    Een skiascopie in cycloplegie bij een patient die myoop is kan zonder corrigerende werkglazen worden uitgevoerd; aan de hand van de werkasftand kan de refractie worden bepaald. Dit kan men doen om dat de lichtbundel die reflecteert een:
    • A. 

      Sferische aberrante bundel is

    • B. 

      Convergente bundel is

    • C. 

      Divergente bundel is

    • D. 

      Parallelle bundel is

  • 24. 
    U doet skiascopie bij een hypermetroop van S+12. De reflectie die u ziet zonder corrigerende glas zal er als volgt uitzien:
    • A. 

      Trage reflex, vage reflex en dunne bundel

    • B. 

      Snelle reflex, vage reflex en dikke bundel

    • C. 

      Trage reflex, scherpe reflex en dikke bundel

    • D. 

      Snelle reflex, scherpe reflex, en dunne bundel

  • 25. 
    Door middel van "straddling" bij skiascopie wordt bepaald de:
    • A. 

      Sferische waarde

    • B. 

      Cilindrische waarde

    • C. 

      Juistheid van de gevonden as

    • D. 

      Accommodatiebreedte

  • 26. 
    Om de cilinder te bepalen bij de KC-methode is het eerst noddzakelijk de juiste as te vinden. Het KC-glaasje wordt op de voglende as-standen voorgehouden:
    • A. 

      10 graden, 100 graden, 20 graden, 120 graden

    • B. 

      20 graden, 120 graden, 45 graden, 135 graden

    • C. 

      180 graden, 90 graden, 10 graden, 100 graden

    • D. 

      180 graden, 90 graden, 45 graden, 135 graden

  • 27. 
    Een hypermetrope patient heeft een optimale refractiecorrectie met een bril van +9D bij een hoornvliesafstand (vertex-distance) van 12mm. Deze patient wil graag contactlenzen dragen. De sterkte van de contactlenzen is:
    • A. 

      Meer dan +9 dioptrie

    • B. 

      Minder dan +9 dioptrie

    • C. 

      Precies +9 dioptrie

    • D. 

      Meer, minder of precies +9 dioptrie, afhankelijk van de gekozen contactlens

  • 28. 
    De gemiddelde accommodatie-amplitude van een persoon van 40 jaar is:
    • A. 

      1 dioptrie

    • B. 

      3 dioptrie

    • C. 

      6 dioptrie

    • D. 

      12 dioptrie

  • 29. 
    De keuze van de leesadditie voor lezen op 40 cm maken we:
    • A. 

      Door de accommodatievermogen van de patient af te trekken van 2.5 dioptrie

    • B. 

      Door de helft van het accommodatievermogen als additie te kiezen

    • C. 

      Proefondervindelijk doorr eerst 2,5 dioptrie voor te zetten en dit in stappen van 0,25 dioptrie te verminderen totdat de leeskaart net niet wazig wordt

    • D. 

      Door binoculair het accommodatievermogen te bepalen en de helft hiervan in reserve te houden

  • 30. 
    Bij unilaterale hoge axiale myopie is het belangrijkste nadeel van een bril:
    • A. 

      Cosmetisch

    • B. 

      Beeldgrootteverschil

    • C. 

      Anisophorie

    • D. 

      Beeldsprong

  • 31. 
    De leesprestatie vermindert bij:
    • A. 

      Overschakeling van hoge myopiecorrecite met bril naar contactlenzen

    • B. 

      Overschakeling van hoge myopiecorrectie met contactlenzen naar bril

    • C. 

      Overschakeling van hoge hypermetropiecorrectie met bril naar contactlenzen

    • D. 

      Geen van deze situaties

  • 32. 
    De convergentiebehoefte neemt toe:
    • A. 

      Bij overgang van plus bril naar plus contactlenzen

    • B. 

      Bij overgang van min bril naar min contactlenzen

    • C. 

      Bij lezen met plus verte correctie tov lezen met plus nabij correctie

    • D. 

      In geen van bovengenoemde gevallen

  • 33. 
    Diffractieve bifocale contactlenzen:
    • A. 

      Geven geen vermindering van het contrast van het retinabeeld

    • B. 

      Zijn gevoelig voor de pupildiameter

    • C. 

      Behoren tot de groep simultaan bifocaal contactlenzen

    • D. 

      Behoren tot de groep alternerend bifocaal contactlenzen

  • 34. 
    Gas-transmissibiliteit van de contactlens:
    • A. 

      Is afhankelijk van het oppervlak van de contactlens

    • B. 

      Kan alleen gemeten worden voor harde gasdoorlatende materialen

    • C. 

      Wordt weergegeven door de Dk waarde

    • D. 

      Wordt weergegeven door de Dk/L waarde

  • 35. 
    Hoeveel procent van de gevallen van monoculaire diplopie wordt veroorzaakt door corneale pathologie?
    • A. 

      10%

    • B. 

      20%

    • C. 

      40%

    • D. 

      90%

  • 36. 
    Welke formule  voor de berekening van de IOL sterkte berust op lineaire regressie?
    • A. 

      Binkhorst formule

    • B. 

      Colenbrander formule

    • C. 

      Sanders, Retzlaff, Kraff formule

    • D. 

      Munnerlynn's formule

  • 37. 
    De brekingsindex (n) van een medium wordt gedefinieerd als:
    • A. 

      De breking van licht in het medium gedeeld door de breking van licht in vacuum

    • B. 

      De breking van licht in vacuum gedeeld door de breking van licht in het medium

    • C. 

      De snelheid van licht in het medium gedeeld door de snelheid van licht in vacuum

    • D. 

      De snelheid van licht in vacuum gedeeld door de snelheid van licht in het medium

  • 38. 
    Welk medium heeft de hoogste brekingsindex (n)?
    • A. 

      Cornea

    • B. 

      Lucht

    • C. 

      Kroonglas

    • D. 

      Water

  • 39. 
    Totale interne reflectie van licht treedt op bij overgang van:
    • A. 

      Medium met hoge brekingsindex naar medium met lage brekingsindex en een 'angle of incidence' die groter is dan een zekere kritische hoek

    • B. 

      Medium met hoge brekingsindex naar medium met lage brekingsindex en een 'angle of incidence' kleiner is dan een zekere kritische hoek

    • C. 

      Medium met lage brekingsindex naar medium met lage brekingsindex en een 'angle of incidence' die groter is dan een zekere kritische hoek

    • D. 

      Medium met lage brekingsindex naar medium met lage brekingsindex en een 'angle of incidence' die kleiner is dan een zekere kritische hoek

  • 40. 
    Lichtstralen die een glad grensvlak passeren naar een optisch minder dicht medium, worden:
    • A. 

      Naar de normaal toe gebroken

    • B. 

      Naar de normaal toe verstrooid

    • C. 

      Van de normaal af gebroken

    • D. 

      Van de normaal af verstrooid

  • 41. 
    De vergentie van licht op 2 meter afstand van een lichtbron bedraagt:
    • A. 

      +0,5D

    • B. 

      +2D

    • C. 

      -0,5D

    • D. 

      -2D

  • 42. 
    Gegeven:Een optisch systeem van 2 dunne lenzen in lucht.De eerste lens is +5DDe tweede lens is +7Dafstand tussen de lenzen is 45cmEen voorwerp bevind zicht 1m voor de eerste lens. Waar bevindt zicht het beeld?
    • A. 

      12.5 cm achter de tweede lens

    • B. 

      25 cm achter de tweede lens

    • C. 

      33.3 cm achter de tweede lens

    • D. 

      50 cm achter de tweede lens

  • 43. 
    Gegeven:een optisch systeem van 2 dunnen lenzen in luchtDe eerste lens is +5DDe tweede lens is +8Dafstand tussen de lenzen is 45 cmEen voorwerp bevindt zich 1m voor de eerste lens. Hoeveel bedraagt de transversale vergroting?
    • A. 

      0.5

    • B. 

      0.42

    • C. 

      0.33

    • D. 

      0.25

  • 44. 
    Een galileo-telescoop:
    • A. 

      Is een voorbeeld van een afocaal systeem

    • B. 

      Heeft een positief objectief en een positief oculair

    • C. 

      Heeft een negatief objectief en een positief oculair

    • D. 

      geeft een omgekeerd beeld

  • 45. 
    Een Kepler-telescoop:
    • A. 

      Geeft een rechtopstaand beeld

    • B. 

      Heeft een sterker objectief dan oculair

    • C. 

      Heeft een positief objectief en negatief oculair

    • D. 

      Heeft een hogere lichtopbrengst dan een Galieo-telescoop

  • 46. 
    Met hoeveel prismadioptrie correspondeert een hoek van 45 graden?
    • A. 

      22.5

    • B. 

      45

    • C. 

      80

    • D. 

      100

  • 47. 
    Toepassing van Prentice's rule. Een patient krijgt een brilvoorschrift:R S+5L S+5pd 54De bril die wordt afgeleverd heeft een afstand van de optische centra van 64 mm. Hoeveel bedraagt het prismatisch effect van de bril?
    • A. 

      5 prismadioptrie basis temporaal

    • B. 

      5 prismadioptrie basis nasaal

    • C. 

      10 prismadioptrie basis temporaal

    • D. 

      10 prismadioptrie basis nasaal

  • 48. 
    Hoe moet een Fresnelprisma op het brillenglas worden geplakt?
    • A. 

      Met water op de binnenkant van het glas

    • B. 

      Met water op de buitenkant van het glas

    • C. 

      Met speciale lijm (Press-On) op de binnenkant van het glas

    • D. 

      Met speciale lijm (Press-On) op de buitenkant van het glas

  • 49. 
    Wat is van toepassing bij de optica van spiegels?
    • A. 

      Convexe spiegels voegen positieve vergentie toe

    • B. 

      Vlakke spiegels voegen geen vergentie toe

    • C. 

      De dioptische waarde is afhankelijk van de brekingsindex

    • D. 

      De brandpuntsafstand is gelijk aan de krommingsradius